Onderzoek van vocht- en zoutproblemen

Oude gebouwen dragen niet zelden de gevolgen in zich van bouwfysische processen uit het verleden. Oorzaken zijn meestal lekkage, condensatie, optrekkend vocht of belasting met zouten uit allerlei bronnen. De processen kunnen actief zijn of inmiddels gestopt, maar vrijwel altijd zijn dan de gevolgen ervan nog aanwezig. Die uiten zich in kristallisatie van zouten met alle gevolgen van dien: vochtplekken, bladderende pleister, losrakende verflagen en dergelijke.

Men realiseert zich vrijwel nooit dat de eventuele processen zich in de muur afspelen en dat het vooral de zichtbare gevolgen zijn die de oorzaak van zorg zijn. De bekende kreet:  ‘ah, ik zie het al, optrekkend vocht’ is dan ook een ‘vertaling’ van de verschijnselen die erop lijken te duiden dat er sprake is van optrekkend vocht; of dat echter werkelijk zo is weet men niet zonder er nader onderzoek naar te doen. 

Bij onderzoek is het altijd de vraag hoe ver je moet gaan. Is boormeel onderzoek van tien plaatsen voldoende, van 15 plekken, van 100? Atelier Amati benadert het probleem op pragmatische wijze door in ieder geval op relevante plaatsen boormeel uit de muur te verzamelen en wel door per boorplaats tot drie diepten te boren. Oppervlakkig, tot circa 2 cm. diepte, in hetzelfde boorgat tot circa 5 cm. en tot 10 à 15 cm, afhankelijk van de dikte van de muur. Het boormeel, met daarin opgenomen eventueel vocht en zouten, wordt direct vochtdicht verpakt in een plastic zakje voor het onderzoek. Relevante plaatsen zijn dan uiteraard die plaatsen die schade laten zien en mogelijk lijden onder een belasting, maar ook worden monsters genomen in de goede, niet aangetaste nabije omgeving ter vergelijking. 
 
De gedachte achter deze werkwijze is dat na analyse de werkelijke belasting kan worden vastgesteld, maar vooral de verdeling daarvan in hoogte en diepte. Daaruit kan een advies voortkomen. Indien bijvoorbeeld alle zouten in de oppervlakkige lagen zitten, kan extractie van die zouten nog wel eens de oorzaken van het probleem wegnemen. Blijken zouten ook nog dieper in de muur voor te komen, dan kunnen deze op een later tijdstip alsnog naar de oppervlakte komen en heeft men later zeer waarschijnlijk opnieuw hetzelfde probleem. Dat vraagt dan om toepassing van geëigende pleister- en verfsystemen, maar vooral moet men beseffen dat er nog steeds een potentiële bron van problemen voorhanden is waar men rekening mee moet houden.

Analyse van de monsters houdt in dat uit de gewichtsvermindering voor- en na het drogen van een monster bij ca. 103C., het totaal gehalte aan vocht wordt vastgesteld. Indien bovendien een aanmerkelijke zoutbelasting bestaat, zal een deel van het vocht bestaan uit hygroscopisch vocht dat door de zouten wordt aangetrokken. Door het gedroogde monster in een omgeving met 70% R.V. te brengen kan uit de dan weer optredende gewichtstoename dat percentage kunnen worden bepaald.

Het zoutgehalte wordt bepaald door een extract van het monstermateriaal te maken en hierin de geleidbaarheid te meten. De hoeveelheid eventuele zouten die oplossen beïnvloeden de geleidbaarheid, die zodoende een afgeleide indicatie van zouten is. Er zijn grenswaarden vastgesteld die een nadere keuze voor bijvoorbeeld een saneringspleister onderbouwen. Met behulp van reagensstrookjes kan voorts de aard der zouten worden vastgesteld.
 
Chloriden, nitraten en sulfaten zijn de meest voorkomende en de voor bouwmateriaal meest schadelijke zouten. Ze kunnen onder invloed van wisselende (lucht) vochtigheid kristallisatiedrukken oproepen die groter zijn dan minerale bouwmaterialen aankunnen. De aard van de zouten zegt ook iets over de herkomst: chloriden uit zee- of strooizout en soms nog uit gevelreinigingspreparaten, sulfaten uit bouwmaterialen of luchtverontreiniging, nitraten uit organische bron; meststoffen, aangevoerd door lekkage of vanuit de grond. Zouten zijn en blijven mobiel en kunnen vrijwel niet worden vastgelegd.